woensdag 13 mei 2009

De broedende zwaan


De zwaan ontvangt me op een ietwat zakelijke manier.
Ik vind het prima, ik pas me aan mijn gesprekspartner aan.
Deze zwaan broedt in een park in de stad en ik vraag haar of het ruim genoeg is.
‘Het is wat krap maar het gaat,’ laat ze weten.
Ik vraag of ze veilig zit en ze zegt dat ze op een eiland zit waar niemand bij kan.
De vraag waarom ze juist daar zit kan ik niet voor me houden.
‘Ik ben mensen gewend en ik ken deze plek.’
Ik blijf het benauwde gevoel houden dat ik meteen al had en de zwaan beaamt dat het inderdaad wel wat proppen is. Maar het is gewoonte dat ze hier blijft.
We gaan naar het moment dat ze jongen zullen hebben en ik geef haar het beeld van zwanenouders die hun jongen verdedigen.
‘Mensen moeten niet te vrijpostig worden. Ik kijk ook niet in hun kinderwagens.’
Ik vertel de zwaan dat mensen graag naar zwanen en hun jongen kijken omdat het zo’n mooi gezicht is.
‘Maar ik bepaal hoe dichtbij ze mogen komen. Ze zouden mij ook wegjagen als ik dichtbij hun jongen kom.’
De zwaan ziet geen gevaar voor de jongen. Ze laat weten hecht met elkaar te zijn maar als ze groot zijn moeten ze weg.
‘Op een gegeven moment is het tijd en gaat ieder z’n eigen weg. Wij blijven. Zij mogen zelf een plek uitkiezen. Ik heb deze plek gekozen.’
En daarmee is het gesprek afgelopen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen