woensdag 22 april 2009

De slak met huis


Het eerste dat de slak laat zien is dat hij nogal schuw is.
Ik vraag hem hoe hij op de boot is gekomen en krijg door: ‘Wij zijn er gewoon. We beginnen klein en worden steeds groter.’
Hij vertelt dat ze licht en warmte niet verdragen. Nat weer is heerlijk, dan trekken ze er op uit.
Ze slingeren overal doorheen op zoek naar voedsel. Ze leggen dan behoorlijke afstanden af.
‘Bij nat weer zijn we vrolijk. Dan zijn we uitbundig.’
Droog weer is zware tijden voor ons, zegt hij. ‘Dan kunnen we ons niet vertonen. Alles gaat veel langzamer. Het eten smaakt dan ook minder.’
Ik vraag hoe het is om een huis te dragen. Hij zegt dat het heel veilig is om daarin terug te kunnen kruipen. ‘Bij gevaar rol ik me op/trek ik me in en ben er dan niet meer.’
Hij vervolgt: ‘Het is veiligheid maar ook een beperking in het bewegen. Soms blijft het huis steken. Het huis is de baas. Dan moet je terug. Maar dat lost zich altijd wel op.’
Ik vertel dat wij vinden dat slakken langzaam zijn. ‘Zo voelt dat niet. Wij gaan rustig door en doen in een (natte) nacht veel.’
Dan zeg ik dat mensen slakken vaak een plaag vinden. ‘Een plaag?’ Zo heeft hij henzelf nog nooit bekeken en hij is verbaasd.
Ik leg uit dat zij plantjes eten en krijg door: ‘Zij groeien, wij groeien. Een plant heeft genoeg om van te delen.’
Hij zegt dat hij het een opmerkelijke zienswijze vindt van mensen.
‘Een plant groeit weer bij of hij groeit het volgende jaar weer. We moeten allemaal leven. Mensen hebben dus liever planten dan slakken?’ Hij vertelt weer dat hij het een bijzonder opmerkelijke zienswijze vindt.
Ik vertel dat mij wordt gevraagd om groepen slakken te vragen naar een andere tuin te gaan. ‘Dat maakt niet uit. Het is een verplaatsen van het probleem dus.’
Weer: ‘Ik wist niet dat mensen zo tegen ons aankeken. Ben er een beetje beduusd van.’
Ik vertel dat mensen soms koffiedik in hun tuin doen om de slakken weg te houden. ‘Koffiedik is niet fijn. Dat blijft kleven en is hard.’
Ik zeg dat mensen ook wel bier neerzetten. ‘Bier ruikt lekker. Maar ons lijf kan het niet aan.’
Ik vraag hem hoe het kan dat hij dit soort dingen weet omdat hij bij ons op het schip leeft en daar geen koffiedik en bier is.
‘Wij staan met elkaar in verbinding.’ Hij laat me het beeld zien van allemaal individuutjes die boven zich verbonden zijn met een horizontale lijn. De slakkentamtam, constateer ik.
Hij laat zien dat hij een behoorlijk open bewustzijn heeft. ‘Wij zijn levensgenieters.’
Ik vertel hem dat ik best een paar slakken aan boord wil maar als er heel veel komen zet ik er een aantal op de kant.
‘Wij prefereren de tuin. Daar is meer variatie.’ Maar hij kan zich er wel in vinden.
We denken na over andere tuinen en komen erop dat, wanneer mensen last hebben van slakken, ze de slakken maar in een emmer moeten doen en naar een vrij stuk land brengen.
Ik vraag of hij nog wat te vertellen heeft en krijg te horen dat hij het nog steeds een wonderbaarlijke zienswijze vindt van mensen om slakken als plaag te zien. ‘Ik ben er nog beduusd van.’
Ik bedank hem voor het gesprek en zeg dat ik het leuk vond. ‘Dat vind ik ook.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen