zondag 13 september 2009

De neushoorn

Bij de neushoorn voel ik meteen de dikke, ondoordringbare huid.
Op mijn vraag om een gesprek krijg ik meteen te horen: ‘Waarom moet dat nou? Waarom ik?’
Na wat aandringen en doorvragen, is het: ‘Nou, vooruit dan maar.’
Hij vertelt erg op zichzelf te zijn. Ik voel ook een kleine, ingetrokken uitstraling.
Hij heeft een houding van ‘bemoei je allemaal niet met mij’ en de dikke huid komt daarbij goed uit.
Hij vertelt erg in zichzelf te zijn en evenwichtig.
‘Evenwichtig somber,’ vertaal ik de gevoelens die ik doorkrijg.
‘Ik ben niet uitbundig,’ geeft hij toe. ‘Ik leef. Verder gebeurt er niet veel.’
‘Geniet je wel eens?’ vraag ik.
‘Genieten is te uitbundig.’
In het water gaan is een noodzakelijkheid, hij beleeft er niet echt plezier aan.
‘Ben je depressief?’
‘Nee, ook niet zwaarmoedig.’
‘Bedrukt?’
‘Bedrukt is teveel emotie.’
‘Neutraal?’
Na even nadenken zegt hij dat zijn stemming iets onder neutraal zit. Hèhè, we zijn eruit!
Ik heb een heel lelijke vraag aan hem: ‘Waarom ben je er?’
Ik durf de vraag nauwelijks te stellen maar zijn antwoord komt meteen: ‘Om rust te vinden in mijn eigen lijf. Het goed vinden zoals het is in al zijn neutraliteit.’
Hij laat zien met zijn neus ruimte te kunnen creëren door erop los te rammen als iets hem niet aanstaat. Ik zou niet graag zijn tegenstander zijn!
Dan laat hij me zien dat hij als neushoorn leert inkeer te krijgen.
Het is allemaal wat somber en ik sukkel in slaap. Als ik wakker schiet, hoor ik: ‘Ik ben ook niet zulk gezellig gezelschap. Laat mij maar, ik vind het wel lekker in mezelf.’
Ik voel me wat schuldig dat ik in slaap ben gevallen en heropen het gesprek.
‘Mijn wapens zijn mijn snelheid en de kracht van mijn neus,’ zegt hij. Ik zie hem zo tegen een boom opknallen.
‘Ik spies iemand er zo tegenaan,’ zegt hij trots, daarbij zijn neutraliteit even verlatend.
‘Waarom?’ vraag ik voorzichtig.
‘Dan zit ie klem. Heb ik er geen last meer van.’
Hij vertelt dat mensen wel in zijn omgeving mogen zijn maar zodra hij last van ze heeft, gaat hij los. De last bestaat eruit dat ze hem irriteren. Dan moeten ze weg.
‘Als ze te lang in mijn buurt zijn, is het genoeg.’
Hij vertelt geen aandacht te willen en een echt teruggetrokken bestaan te willen leiden. Daar heeft hij die dikke huid voor nodig en hij noemt het zelf een ‘oerhuid’.
Als ik hem vraag nog es terug te mogen komen bij hem voor een babbel, antwoordt hij dat ik teveel vraag.
‘Ik heb al meer dan ooit gecommuniceerd.’
Hij vindt het duidelijk meer dan genoeg.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen