dinsdag 1 september 2009

De mol

Vlakbij onze waterput ligt een hoop zand. Dat moet van een mol zijn.
Natuurlijk is zo’n diertje niet makkelijk te fotograferen. Ik ga proberen of ik toch contact met hem kan krijgen.
Al snel word ik geconfronteerd met een dier dat laat zien dat z’n ogen niet tot zeer slecht functioneren. Toch wil hij mij opnemen, weten wie hij voor zich heeft en hij nadert me dicht. Het lijkt wel of hij mijn aura afsnuffelt en betast.
‘Ben je geen gevaar voor mij?’ vraagt hij.
Ik vertel hem dat ik ver van hem vandaan ben en dat ik hem niks kan doen.
Hij laat zeer krachtige poten zien waarmee hij heel snel kan graven.
Ik zeg hem dat ik de gangen die hij gegraven heeft zo smal vond.
‘Ik heb niet veel ruimte nodig. Ik heb een dun lijf.’
Graag zou ik van hem willen weten hoe het nou is, zo onder de grond. Ik kan me er slecht een voorstelling van maken.
‘Ik wil steeds maar verder. Graven. De geur van aarde is heerlijk. Graven is mijn lust en mijn leven.’
Hij vertelt dat hij alle vrijheid heeft om alle kanten op te graven. Hij creëert zijn eigen wegen.
Op mijn vraag of hij niet es lekker frisse lucht wil, laat hij me voelen hoe het voor hem in de buitenlucht is. Het is net of de lucht daar ‘te groot’ voor hem is. Of z’n longen het niet aankunnen.
Laat die mol maar lekker onder de grond!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen