woensdag 23 september 2009

Het schelpdier

Het water in de IJssel staat momenteel erg laag. Op het strandje, zoals ik dat altijd noem, zag ik steeds rare figuren. Ik vroeg me vaak af of het vissen waren die dat veroorzaakten. Tot ik doorhad dat schelpen die vormen maken.
Op een dag pakte ik er een op en een wit dier trok zich terug. Ik merkte dat ik niks van schelpen en hun inwoners weet. Tijd om eens met een van hen te communiceren!
Ik kies een schelp die zich aardig in het zand genesteld heeft en het witte dier trekt zich meteen terug en sluit zijn schelp.
Thuisgekomen neem ik hem in mijn hand en begin te vertellen over mijn verbazing dat zo’n weekdier zulke diepe geulen kan maken.
‘Er zit wel kracht in ons,’ hoor ik. ‘Ik kan de schelp rechtop zetten.’
Ik vertel nogmaals dat het me verbaast dat weekdieren zo krachtig zijn.
‘Wij nemen de tijd.’
Wat ik van hem meen te begrijpen is dat ze de diepe voren in het zand maken om vocht binnen te krijgen en dat de ondiepe voren zijn om zich te verplaatsen.
Het schelpdier heeft iets ondeugends over zich. Ik ben me ervan bewust dat ik hem een eigenschap toedicht die misschien niet bij hem past maar zo voel ik het wel.
Hij reageert dat hij vaak niet thuis geeft (door zijn schelp dicht te doen) en dat hij lol heeft in zijn eentje. Hij laat zichzelf zien als een gluurder: vanuit de veiligheid/geborgenheid bekijkt hij de dingen.
Ik vertel hem dat ik op internet las dat deze dieren niet aaibaar zijn en dat daarom niet veel aandacht aan ze besteed wordt. Hoe vindt hij dat?
‘Mijn wereld is niet jouw wereld.’ Met andere woorden: de waardering hoef ik niet van jullie.
‘In mijn wereld functioneer ik op en top.’
Ik merk op dat ik hem op zijn manier wel actief vind. Heel anders dan de kwal of de teek.
Dan laat ik hem zien dat ik hem vast heb.
‘Ik voel me heus niet minder dan jij, hoor,’ hoor ik en daarbij doelt hij op mijn armen en handen waar ik van alles mee kan.
‘Voor wat ik doe, heb ik genoeg,’ vult hij aan. ‘Het is goed zo.’
Ik probeer nog of ik hem 'open kan praten', zodat ik hem kan zien maar daaraan geeft hij geen gehoor. Waarom zou hij ook, denk ik gniffelend na de kleine teleurstelling dat hij dat niet deed (ik had het fototoestel al in de aanslag).
Op het moment van afsluiting van het gesprek vertel ik hem dat ik het idee heb dat ik niet veel wijzer geworden ben.
‘Jij wilt ook veel te veel weten,’ vindt hij.
Als ik mijn aantekeningen uitwerk, vind ik echter wel dat ik een stukje wijzer geworden ben.
‘Het is goed zo …’, zei hij.
Wie van ons kan dat nou op elk moment van de dag zeggen?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen