vrijdag 7 augustus 2009

De bruine beer

De beer reageert traag op mijn poging tot contact. Daarom babbel ik wat tegen hem en ik laat hem zien dat ik aan de waterkant zit.
Daar reageert hij op door me het beeld te geven van vissen vangen.
Ik laat hem zien dat onze hond naast me zit en hij laat weten dat hij die ook wel lust.
Dan kijkt hij me lang aan. Hij geeft een zwaarmoedigheid door en laat een continue, langzame tred zien waarbij hij steeds ruikt.
‘Altijd maar weer voedsel zoeken. Ik lig het liefst lekker in de zon, op mijn rug maar dan begint de honger weer.’
Ik vat het samen: ‘Dus eigenlijk moet je actiever zijn dan je wilt zijn?’
‘Ja. Ik had wel minder vaak honger willen hebben.’
Ik vertel dat hij labels in zijn oren heeft en vraag of hij weet hoe die daar in gekomen zijn.
‘Er lopen hier mannen rond met hoeden en geweren, ze rijden in auto’s. Ze houden ons in de gaten.’
Hij laat weten dat die mensen hem onverschillig laten. ‘Als ze te dichtbij komen, pak ik ze. Dan sla ik met mijn poten. Ik wil niemand in mijn buurt.’
Ik zeg dat ik de indruk heb dat hij een beetje een knorrepot is.
‘Ik moet meer doen dan ik wil doen. De winterslaap is een zegen. Rust.’
Als ik nog es vraag naar de labels, zegt hij dat hij denkt dat de mensen het gedaan hebben.
‘Ze denken dat ze de baas zijn. Ze rijden rond alsof dit gebied van hun is.’
Op mijn vraag van wie het gebied is, hoor ik: ‘De wouden behoren iedereen toe. Ieder zoekt zijn deel. De mensen hebben hier niet hun leefgebied. Dat zijn de huizen, zij slapen in de huizen.’
Hij laat zien dat ieder dier een harmonieuze cirkel om zich heen heeft en dat ieder daarin zijn eigen leven leeft.
Dan laat hij zijn beeld van mensen zien: hij stelt mensen voor als scherpe punten die in die harmonieuze cirkels van de dieren door priemen.
‘Mensen hebben een veel kleinere uitstraling. Ze zijn veel zenuwachtiger. Het zijn opgewonden standjes. Ze schieten graag omdat ze niets anders kunnen. Ze zijn weerloos tegenover ons. Dat weten ze. Vandaar het geweer.’
Hij heeft niet veel waardering voor mensen maar omdat hij zo sloom en zwaarmoedig is, windt hij zich er niet echt over op. Dat kost teveel energie, lijkt wel.
‘Mensen moeten uit m’n buurt blijven.’
Ik vraag hem of mensen en beren samen kunnen leven. Volgens hem doen kleine beren dat wel eens. ‘Stadsberen noem ik ze.’
Als ik nog even naar de oormerken vraag, zegt hij dat mensen nu vast denken dat hij van hun is.
Dan vraag ik hem met wie hij kan samenleven.
‘Met de uil. En de vogels.’
Hij laat zien dat de aarde zijn leefterrein is.
‘Als ik honger heb, eet ik op wat ik vind.’
‘Zou je mij ook kunnen eten?’ vraag ik.
‘Als ik honger heb wel. Geen probleem.’
Hij laat zien ook bessen te eten. ‘Maar dat is geen vlees. Die maag, hè?’

Op internet lees ik later dat beren veel lopen en dode dieren op wel 25 km afstand kunnen ruiken. Dat verklaart de enorme reikwijdte die ik rond hem voelde. De menselijke uitstraling is daarbij vergeleken ontzettend klein.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen